Pleziervaart is iets totaal anders dan het snelle en onpersoonlijke geraas op autowegen of in de stad. Het recreatief varen, evenals de professionele schipperij, staan al jarenlang bekend om zijn rust en gemoedelijkheid.
Wanneer het niet te druk is, groeten wij elkaar, ook wanneer we onbekenden zijn, we helpen elkaar zonder dat er nadrukkelijk om wordt gevraagd. We hebben meer zorg voor elkanders eigendommen dan we in het dagelijkse leven over het algemeen gewend zijn en we trachten elke vorm van overlast voor elkaar te voorkomen. Het wordt op het water al snel drukker, we doen er dan goed aan om aan de volgende punten wat meer aandacht te schenken. 
 
1. Vlagvoering. Deze moet zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met de vlagetiquette zoals door de VPF uitgewerkt en door zijn algemene vergadering aanvaard, evenals de wettelijk verplichte internationale en nationale regels over vlaggenvoering. (Geen schip, zowel zeeschip als pleziervaartuig, mag op zee varen zonder de vlag van een staat te voeren. 
Geen schip mag de vlag van twee of meer staten voeren. Dergelijk schip staat gelijk met “staatloos”). Voer geen vlaggen waarvan het niet zeker is dat ze op de goede plaats hangen. 
 
2. De uitwijkbepalingen kennen en deze naar geest en letter toepassen.(Klein wijkt voor groot - Beroepsvaart heeft voorrang op pleziervaart - Voorrangsregels) 
 
3. Tijdig en duidelijk uitwijken voor de beroepsvaart. (Daarbij rekening houden met de geringe manoeuvreerbaarheid van vrachtschepen).
 
4. Niet voor onze beurt de sluis binnenvaren. Hiervoor bestaan er regels, belangrijkste tips hieruit zijn:
Als je bij de wachtplaats voor een sluis gaat liggen, moet je schutten. Het is niet de bedoeling om aan de wachtsteiger te blijven liggen om iets te eten en zeker niet om te overnachten, want dan kun je anderen hinderen die wel de sluis in willen.
Heb je een marifoon installatie aan boord, dan ben je verplicht op het voor de sluis aangegeven Kanaal uit te luisteren.
Het inhalen van andere vaartuigen bij het naderen van de sluis is uit den boze, ook als je vaartuig sneller is.
De sluis invaren doe je in volgorde van aankomst.
Alleen drijvende voorwerpen mag je als wrijfhout gebruiken (stootkussens, opblaasbaar, hout of rubber, maar zeker geen autobanden).
Je volgt altijd de aanwijzingen van de sluismeester. Het kan zijn dat deze uit veiligheids- of andere redenen aangeeft dat grotere schepen (of een bepaald schip) eerst naar binnen moeten varen en dan pas de kleinere. In elk geval heeft de beslissing van de sluismeester voorrang op de “ wie eerst komt, eerst schut” - regel. Je staat dus niet op “ik was hier het eerst strepen regel.” Het is ook praktischer om een groot schip te laten voorgaan. Het is weinig aan te raden om met een klein bootje tussen de wal en een zwaar (vracht)schip beknelt te raken.
 
5. In de sluis de motor afzetten. (draaiende diesels en tweetaktmotoren kunnen vreselijk stinken om van het lawaai nog niet te spreken).
 
6. Zorg dat de motor in goede staat van onderhoud is en dat alle afstellingen in orde zijn om lucht en waterverontreiniging te voorkomen.
 
7. De marifoon alleen gebruiken voor in het verkeer noodzakelijke gesprekken. ( ook op de zogenaamde babbelkanalen, zoals  kanaal 77, waar de ene pleziervaarder vrolijk aan het roddelen is over de andere, of waar kookrecepten worden uitgewisseld)
 
8. De golfslag van de (motor-) boot beperken, overal waar die hinder kan veroorzaken, bij het 
varen langs woonschepen, gemeerd liggende pleziervaartuigen, op water waar zeilwedstrijden plaatsvinden, waar zeilboten met weinig wind varen, plaatsen waar door een sein of vlag verzocht wordt golfslag te voorkomen. (het zou trouwens fijn zijn dat ook overheidsschepen en politieboten zich hieraan zouden houden). Voorkom zuiging die in ondiep water optreedt bij een bepaalde snelheid.
 
9. Kijk regelmatig achterom om te zien of er wellicht te veel golfslag of zuiging ontstaat. 
Let nauwlettend op de beweging van schepen waarlangs gevaren is. Zo kan je tevens ook zien 
of je al dan niet wordt opgelopen door andere schepen.
 
10. Toestemming vragen alvorens aan andere schepen of particuliere terreinen aan te leggen.
 
11. Zodanig langs pleziervaartuigen afmeren dat niet in de kuip of kajuit kan worden gezien. Bij het aan de wal gaan, de kuip van het tussenliggende schip vermijden, ga dus zoveel mogelijk langs het voordek. 
 
12. Bij een vrachtschip niet langszij het achterschip komen omdat het gezin hier woont. 
Toestemming vragen als we over het dek naar de wal toe willen. Dit laatste niet over de luiken 
maar over het gangboord. (Luiken zijn meestal niet op ons gewicht berekend en zijn soms 
gevaarlijk glad.) 
 
13. Zuivere stootkussens uithangen als we langszij een ander vaartuig gaan liggen. 
 
14. Een ander schip toelaten langszij af te meren, voor overnachting en toch zeker voor kleine bevoorrading. 
 
15. Oeverriet, “zachte walletjes”, grasbermen e.d. zo weinig mogelijk beschadigen bij het 
aanleggen of langs varen.
 
16. Zeilen strijken als we stilliggen, klapperende zeilen zijn hinderlijk, voor anderen 
en u zelf. Ze belemmeren het uitzicht en maken kans op aandrijving tegen andere schepen groter. Bovendien hebben de zeilen er zelf veel van te lijden. ( Ze slijten vlugger en maken soms zeer veel kabaal.) 
 
17. Verstaging en touwen op zeilschepen zodanig vastmaken dat ze niet tegen mast of want kunnen liggen aantikken.
 
18. Hulp verlenen wanneer anderen in moeilijkheden verkeren, b.v. bij motorpech of aan de grond lopen. Mogelijkheid aanbieden om te slepen, dit alleen als we zelf over voldoende 
vermogen beschikken en ons schip er zelf niet door in gevaar komt.
 
19. Aan zeilers, zonder motor, een sleepje geven bij het doorvaren van bruggen of op een druk bevaren kanaal en onbezeilde wind.
 
20. Geluidsoverlast vermijden en marifoon, radio en televisie zo afstellen dat anderen het geluid niet kunnen horen. Op het water draagt het geluid zeer ver en de meeste pleziervaarders zoeken de rust en natuur.
 
21. Ga je in een bebouwde kom aan wal, hou dan rekening met de geldende moraal en kleding van de bewoners. (In de meeste steden loopt men niet in monokini of met enkel een tanga)
 
22.  Zorg voor goede landvasten zodat het jacht niet kan losraken en schade kan veroorzaken. 
Maak goede knopen in je landvasten. Ligt er al een ander landvast op de bolder steek dan jouw landvast eronderdoor. Gebruik bij voorkeur je eigen landvasten en niet die van de vaste ligger die meestal deze plaats benut.
 
23. Beperkte meergelegenheid efficiënt gebruiken zodat ook pleziervaarders die na ons komen nog kunnen vastmaken.
 
24. Wedstrijden zo min mogelijk storen en dus zo ver als mogelijk uit de buurt blijven van de aan de wedstrijd deelnemende schepen.
 
25. Geen afval, bilgewater of olieresten in het water werpen of lozen.
 
26. Bij een bezoek aan een jachthaven, zich melden bij de havenmeester. Bij laat aankomen, als deze niet meer bereikbaar is, zeker niet de volgende morgen heel vroeg vertrekken om niet te moeten betalen. Waar betaling moeilijk is, de nodige gegevens achter laten zodat men dit later kan opvragen.
 
27. Bij zonsondergang of –opgang en bij het verlaten van het schip, hijsen en weer strijken van de nationale driekleur, evenals van bepaalde andere vlaggen (zie vlagetiquette). In geen enkel geval met een gepavoiseerd schip rondvaren.
 
28. Bij het afmeren naast een ander vaartuig, doen we dit bij voorkeur bij een schip van dezelfde lengte en gewicht (of zwaarder) als ons eigen schip.
 
29. Mocht de ruimte van het vaarwater dit toelaten, dan is het een goede gewoonte een stootwil aan de buitenzijde te hangen als een duidelijke uitnodiging dat er nog een vaartuig naast kan afmeren. (Als je zelf een plaatsje zoekt is dit een welgekomen teken.)
 
30. Indien meerdere schepen naast elkaar zijn gemeerd moet het buitenste vaartuig vanaf de wal voor en achter lange lijnen naar de wal uitzetten om het zwaaien van de rij te voorkomen.
 
31. Beperk het alcoholgebruik tijdens het varen zelf, na het aanmeren kan je dit ruimschoots inhalen. Wat op de weg niet kan, kan op het water ook niet.